Aanstootgevend

Gisteren vierden we Pasen op de basisschool van onze jongste. Een vrolijke gebeurtenis met liedjes, verhalen en toneelstukjes.

De juf ging op het podium zitten in een grote stoel. Een groep kinderen (vier, vijf, zes jaar oud) ging om haar heen zitten. Ze opende het boek en begon te lezen. Een verhaal van Opa Knoest, over Pasen uiteraard. Opa’s kleinkinderen Rik en Renske gaan bij hem logeren voor Pasen.

Wat vieren we op Goede Vrijdag, opa?

– Nou, dat Jezus doodging.

– Waarom moest hij dan dood, hij had toch niks verkeerd gedaan?

– Nee, maar sommige mensen vonden van wel. En daarom wilden ze hem doodmaken, las de juf op haar beste voorleestoon.

En zo hoorden tientallen kleuters en kinderen het gruwelijke verhaal van de executie van een onschuldig mens. Lekker op het podium zittend, in een vrolijke bijeenkomst met ballonnen en paastakken. Als een opmaatje naar een beeldles over rups en vlinder. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is iemand dood te maken, waar je trouwens niet moeilijk over hoeft te doen want we weten al hoe het afloopt.

Ik was niet echt verrast natuurlijk, zo gaat het elk jaar in honderden paasvieringen overal. Maar gisteren vond ik het opeens aanstootgevend.

Vervreemdend.

Ongepast.

Dat ligt ongetwijfeld aan mij. Naarmate ik ouder word groeit mijn innerlijk verzet tegen dood, lijden, onrecht. Ik vind het niet normaal, wil er niet aan wennen. Juist niet, nu het onrecht en het lijden in de wereld voor iedereen zo tastbaar en dichtbij is. Het maakt het waarom van Goede Vrijdag des te indringender – zowel in de vraag als in het antwoord.

De kinderen hadden er geen last van, volgens mij. Die holden na het verhaal weer terug naar hun plek, zongen uit volle borst de liedjes en maakten er een mooi feestje van.

Maar ik heb me voorgenomen de komende dagen weer eens flink met God over Goede Vrijdag te sparren. Om te voorkomen dat ik het voor lief neem. Want er is niets vanzelfsprekend aan het lijdensverhaal – het is het meest tegennatuurlijke, confronterende verhaal uit de geschiedenis van de mensheid. En ik schreef al eerder dat daar ook niets romantisch aan is (sorry, EO).

Fijne Paasdagen.

Preken

Vorige week heb ik gepreekt over een koekenpan. Eentje van die grote blauw-gele woonwinkel. Na een inspirerend intro, ondersteund door beeldmateriaal, hield ik een gloedvol betoog over de betrouwbaarheid, kwaliteit en prijs van dit artikel. Ik was eerlijk over de bezwaren (heb je er al een? Dan komt een tweede goed van pas) en koerste behendig naar het aansprekende appèl: je leven is nooit meer hetzelfde met deze koekenpan!

Toegegeven, het was een korte preek. Er ontbrak ook nog wel het een en ander aan de bijbelse onderbouwing. Heilsbemiddelend zou ik mijn betoog ook niet willen noemen. Maar verder was ‘ie uitstekend, dacht ik zo.

De oefenpreek was onderdeel van de sprekerstraining voor onze interne sprekers. Een dag lang nadenken over wat een preek goed maakt. Bronnen onderzoeken, structuur aanbrengen, mindmaps maken. Het was nuttig en aangenaam. Maar ook hard werken, zoeken, zweten en bidden, zo ontdekten we opnieuw. Een goede preek komt nooit vanzelf.

Dus, mocht je zondag weer onder het gehoor zitten, realiseer je dan dat er iemand staat die zich in het zweet heeft gewerkt. Die hard heeft gebeden om een aansprekende boodschap te brengen. Die misschien wel heeft geoefend met een koekenpan, een ledlamp of een hoogslaper. Bedank hem of haar maar eens even extra. En dan hup, naar de winkel. Want uiteindelijk gaat het niet om de preek, maar wat je ermee doet.

Geloof, hoop en liefde

Een stroom van radeloze vragen
komt van de vrouw die voor me staat.
Haar ogen zijn een echo van het kwaad
dat alle hoop heeft stukgeslagen.

Hoe kun je vrede in je hart najagen
als niet een vijand maar een vriend verraadt?
O grote God, dat zoveel leed bestaat!
Geen mens zou dat toch mogen dragen.

Dan zie ik haar nog even wenken
als ik mij omdraai om weer weg te gaan.
Ze zegt: mijn man – je doet me aan hem denken,

straks komt hij thuis! En trots kijkt zij me aan.
Ik ben verward en kan alleen bedenken:
dat is de liefde – die zal nooit vergaan.

 

Voor IDEAZ Magazine, april 2017

Vrees niet!

Het zal een jaar of vijfentwintig geleden zijn dat ik met een vriend in Rome was. Een stad die zijn naam leende aan het grootste en machtigste Rijk dat de wereld ooit gekend heeft. Wij vergaapten ons aan het Colosseum en liepen een paar passen op de Via Appia Antica, de roemruchte snelweg die een van de pijlers van het langdurige ‘succes’ van het Rijk bleek te zijn. Via die route konden militairen snel verplaatst en bevoorraad worden, waardoor Rome haar greep behield. Een fascinerende gedachte om duizenden jaren later op diezelfde weg te lopen.

Dit is de eerste alinea van het hoofdstuk dat ik schreef voor het boekje ‘Vrees niet’. Nog nooit was Nederland zo verdeeld in de aanloop naar de verkiezingen. Staan onze vrijheden onder druk, of worden we bang gemaakt door populisten? Alain Verheij kwam in november naar ons toe met het idee om een aantal christenen daarover te laten schrijven. Het werden er twaalf, waarvan ik er een ben. Twaalf hoopvolle en profetische bijdragen, niet bedoeld om angst aan te praten maar moed in te spreken. Niet polariseren, maar bij elkaar brengen.

Mijn bijdrage gaat over ‘Europa’. Is dat het monster dat velen erin zien of is het juist de vredesweg? En wat heeft de Via Appia ons daarover te zeggen? Je leest het in het boekje dat je hier kunt bestellen!

De twaalf namen: Evert Jan Ouweneel, Mirjam Kollenstaart-Muis, Jan Wolsheimer, Paulien Vervoorn, Reinier van den Berg, Wim de Bruin, Mirjam van der Vegt, Gijs van den Brink, Esther Kaper, Otto de Bruijne, Anne Westerduin en Mark de Boer. 

En lees hier een interview met initiatiefnemer Alain Verheij.

 

2016

Het is me het jaartje wel, dat 2016. Soms zou ik in een hoekje willen kruipen en wachten tot de wereld weer een beetje normaal is. Tot talkshow-presentatoren snappen dat de Bijbel de Koran niet is. Tot de files zijn opgelost. Tot angst en verdeeldheid niet langer het land regeren. Tot mensen eerst luisteren en dan pas spreken. Tot kerst weer pas na Sinterklaas begint. Tot Assad is gestopt met zijn eigen volk te doden. Tot Turkije en de EU menswaardige hulp verlenen aan de ontheemde vluchtelingen. Tot, tot, tot…

Maar dan lees ik iets van een oude visser die tweeduizend jaar geleden leefde. Een tijd van onzekerheid, geweld en politieke onrust, niet veel anders dan nu. Zijn meester, voorbeeld en houvast Jezus kondigt aan dat hij weggaat en later terug zal komen. Wat moeten we doen, vragen de visser en zijn vrienden zich af. Kunnen we niet mee? We zijn bang! Nee, zegt Jezus – jullie blijven. Ik laat je niet zomaar achter. Er komt iets veel beters, ik beloof het je, geloof me. Tot die tijd hoef je maar twee dingen te doen: houd moed en heb lief.

Houd moed en heb lief. Het lijkt me een begin en het lijkt me het einde.

Hoop voor een verdeeld land by Gert-Jan Segers

Sinds november vorig jaar is Gert-Jan Segers fractievoorzitter en partijleider voor de Christenunie. In dit boek legt hij zijn visie neer voor Nederland, onder de veelzeggende titel ‘Hoop voor een verdeeld land’. Gert-Jan is er zelf eerlijk over: in zijn zoektocht werd hij geraakt door het negatieve, de onderlinge vervreemding. Maar hij doet een poging daar iets concreets tegenover te stellen.

Gert-Jan onderzoekt vijf ‘breuklijnen’, zoals hij ze noemt: de kloof tussen nieuwkomers en langgevestigden, tussen zieken en gezonden, tussen gelovigen en seculieren, tussen ouderen en jongeren en tussen succesvollen en achterblijvers. Telkens spreekt hij met mensen uit die werelden, van Arjan Lubach tot Leger des Heils-man Cornel Vader. En bij elke breuklijn valt een politiek programma te ontwaren dat oplossingen – hoop! – moet bieden.

De breuklijnen zijn goed gekozen. Iedere Nederlander zal met minstens een of twee zelf in aanraking zijn geweest de afgelopen jaren. En ik denk ook dat iedereen zich weleens heeft afgevraagd hoe bijvoorbeeld de problemen in de zorg of in de achterstandswijken nou op te lossen zijn. Segers komt op alle terreinen met een visie en met concrete voorstellen. Een sociale dienstplicht bijvoorbeeld, om jongeren over hun eigen grenzen te laten kijken en te leren wat het betekent om een samenleving te zijn. Decentralisatie en terugdringen van marktwerking in de zorg. Een nieuwe ‘pacificatie’ voor de struggles tussen gelovigen (zowel moslims, christenen als anderen) en seculieren.

Sommige oplossingen en standpunten (zoals ten aanzien van de NIPT-test) zijn niet zo verrassend, omdat de Christenunie zich daar al voor inzet. Maar het voegt veel toe om niet alleen de politieke maar ook de persoonlijke overwegingen te lezen. Wie zoekt naar smeuïge verhalen uit de Kamer zal het met de inleiding moeten doen, waarin Gert-Jan beschrijft hoe hij moest vechten voor een meerderheid voor zijn prostitutiewet. Wie echter zoekt naar een goed geschreven verhaal met inhoud moet verder lezen.

Gert-Jan noemt zichzelf een hoopvolle realist, en dat is wat dit boek ook uitstraalt. Eerlijk over de problemen (en de onmogelijkheid van sommige oplossingen), maar hoopvol vanuit een diepe overtuiging dat mensen kúnnen samenleven, hoe verschillend ze ook zijn. En dat de politiek daar een zinvolle, waardevolle bijdrage aan kan leveren als die vanuit diezelfde overtuiging wordt beoefend.

Kortom, een mooi manifest van een bevlogen man met visie en hoop. Het enige probleem is misschien dat dit boek te dun is. Uit alles blijkt dat Gert-Jan veel meer in z’n hoofd heeft dan in dit boek staat. Af en toe is de sprong van analyse naar oplossing erg groot, en zou een verdere verdieping niet misstaan. Maar dat zij hem vergeven – om in korte tijd zo’n samenhangend betoog van hoop te presenteren is een knappe prestatie.

We zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We kiezen ervoor elkaar de hand te reiken, trouw te beloven, achterblijvers erbij te halen en meningsverschillen vreedzaam te houden. Vrijheid verdedigen we van haar vijanden, vrijheid geven we, van vrijheid genieten we. Dit is het moment om elkaar ons woord te geven. En wat er ook gebeurt, ik geef het mijne. (p 223)


Buren

Een kerkzaal in het midden van het land. Een stuk of tachtig mensen, vier sprekers en een MC. Een programma over ‘integral mission’, oftewel zending in woord en daad. De sprekers waren goed, de gespreksleider maakte grapjes, de vragen uit de zaal waren interessant. Maar na elke bijdrage werd ik een beetje moedelozer. Het ging steeds over problemen. Hoe moeilijk het is contact te leggen met je omgeving. Hoe lastig het is mensen in beweging te krijgen. Verhalen van ‘pioniers’ die jarenlang ploeteren voordat ze resultaat zien.

Ik dacht terug aan de zondag ervoor. Een paar maanden geleden was bij de kerk waar onze Rafaelgemeente het gebouw van huurt, het idee geboren om iets te doen met de Nationale Burendag. Een feestje op het plein met klusprojecten bij buurtbewoners thuis. Nou, wij deden graag mee. En zo zaten we ’s ochtends als gereformeerden en pinkstermensen samen in een dienst en stonden we ’s middags zij aan zij te zweten in tuintjes en woonkamers in de buurt. Het was een geweldige dag, spontaan ontstaan, en met inzet van velen tot een succes gemaakt.

Die middag in de kerkzaal leerde mij dat wat wij hadden gedaan een naam heeft en dat je erop kunt afstuderen. Het zal allemaal wel. Ik kan niet wachten tot de volgende Burendag.

Het platte land

Geen mens kan hier zijn wil opleggen –
de baas is niemand in dit land,
daar zijn wij fel tegen gekant;
allergisch, zou je kunnen zeggen.

Discussie! Inspraak! Overleggen!
Wij pikken niets van hogerhand!
Wij leunen op gezond verstand.
Geen leider zal ons iets gezeggen.

Maar wie Gods woorden heel goed leest
ziet achter die rebelse geest
een kudde om een herder vragen.

Zo lijdt een mens dikwijls ’t meest
door het leiden dat hij vreest
maar dat nooit op zal komen dagen.

 

Voor IDEAZ Magazine september 2016

God in Nederland

De God van Nederland is dood. Hij is
misbruikt, verwaarloosd, doodgezwegen,
aan ‘t spit van ons gelijk geregen.
Er wordt gedobbeld om zijn erfenis.

De leegte heeft, bij Zijn ontstentenis,
de macht in heel het land gekregen
en rust niet tot de laatste zegen
als bloemenpluisje weggeblazen is.

Maar als God dood is, staat Hij ook weer op.
Dan staan er duizend bloemen in de knop
in polders, op de straten, tussen stenen,

in harten en in hoofden. En degenen
die het zien verbazen zich hardop
en weten: Hij was nooit verdwenen.

voor IDEAZ, het praktijkblad over gemeenteopbouw van MissieNederland

Strandje

Vanaf de kant is het een prachtig gezicht. De skyline van de stad op de achtergrond, dichtbij een aantal mensen in het wit gekleed en tot hun knieën in het water. Maar liefst vijf jonge mensen worden gedoopt in een van de meest geseculariseerde steden van ons land.

Onwillekeurig denk ik terug aan vorige week, toen ik een bisschop en een priester hoorde spreken over de situatie in hun regio, het Midden-Oosten. Een wake-up call noemden ze het, omdat de christenen daar ernstig worden vervolgd. In Irak is het aantal christenen sinds Saddam Hoessein afgenomen van 1,6 miljoen tot minder dan 300 duizend. Ik moest tot mijn schaamte bekennen dat ik dit al eerder had gehoord maar er nooit echt aandacht aan had gegeven.

Maar nu, op het strandje, is het geen schaamte maar een bijna bovennatuurlijke hoop die me vervult. Dwars door alles heen trekt God zijn plan met mensen. Eén van de vijf is mijn dochter van 13, afkomstig uit seculier, apathisch Nederland. Een ander is N uit de vorige column, afkomstig uit het religieus-extremistische Midden-Oosten. God werkt in voor- en tegenspoed, net als ooit in Handelingen.

Het ontslaat me niet van de plicht om te doen wat ik kan. Integendeel: het spoort me aan om te bidden en te werken. In de vaste hoop dat God zijn kerk niet vergeet. En dat ik binnenkort weer op dat strandje kan staan.