Afscheid

no images were found

(Toespraak bij de dankdienst voor het leven van Pieter de Boer)

no images were found

Iedereen die bij mijn vader is langs geweest heeft het gezien. Het schilderij van Rembrandt, ‘De terugkeer van de verloren zoon’. Tot vanmorgen heeft het boven hem gehangen: thuis, in het hospice, en ook weer toen zijn lichaam naar huis terug werd gebracht. NAAR HUIS TERUG – dat is precies waar het schilderij ook over gaat: het vertelt het Bijbelse verhaal van de zoon die zijn erfenis opeist, die verbrast in het buitenland en uiteindelijk berooid terugkeert naar huis. De scene op het schilderij is  de meest ontroerende scene en de crux van het hele verhaal: de vader die zijn verloren (dood gewaande) zoon tegemoet rent, met open armen ontvangt en feest gaat vieren omdat hij weer terug is.

Waarom sprak dit schilderij hem zo aan? Natuurlijk vanwege de overduidelijke boodschap, die hij met velen heeft gedeeld: de troost dat God de Vader hem opwacht met open armen.

Maar er zit nog meer onder. Ik denk dat het schilderij ook tot uitdrukking brengt wat je het levensthema van pa zou kunnen noemen: de vraag ‘wie ben je?’, het thema identiteit. Wij leerden vroeger altijd rijmpjes en gedichten van mijn moeder, maar van mijn vader weet ik er nog twee: ‘Iedereen wordt uniek geboren, maar velen sterven als een kopie’. En de andere was: ‘wees uzelf, zei ik tot iemand – maar hij kon niet, hij was niemand’. De vraag naar identiteit heeft mijn vader zijn leven lang bezig gehouden – naar zichzelf toe, naar zijn vrouw en kinderen, en naar anderen in het pastoraal-therapeutische werk dat hij tot voor kort nog deed.

De overleden priester Henri Nouwen heeft een boek geschreven dat gaat over dit schilderij, ‘Eindelijk thuis’. (Velen van u zullen het kennen.) Daarin beschrijft hij de verschillende personages op het schilderij. Hij identificeert zich met elk daarvan: de opstandigheid en eigenwijsheid van de jongste zoon, de afstandelijkheid en trots van de oudste, en de vader die zijn gezag laat gelden door vaderlijk erbarmen. Het is een prachtig boek, vooral omdat Nouwen zich zo in zijn eigen ziel laat kijken en eerlijk zijn worstelingen met zichzelf en met God beschrijft. Hij beschrijft hoe hij in St Petersburg het originele schilderij mag bekijken. Op zeker moment is er een incidentje met een van de strenge suppoosten. Nouwen schrijft dan: ‘Toen ik hem onder zijn brede Russische pet in de ogen keek, zag ik een man zoals ik er zelf een was: angstig, maar met een groot verlangen naar onvoorwaardelijke aanvaarding.’

En volgens mij schuilt in die ene zin het geheim van de aantrekkingskracht van dit beeld op mijn vader: de herkenning in de angsten en onzekerheden én in het verlangen naar onvoorwaardelijke liefde en acceptatie. Was dat de grote worsteling in zijn leven? Ik denk het wel, zoals het misschien de grootste worsteling in ieders leven is. Het beeld van de vader die zijn bange, onzekere en zichzelf onwaardig vindende zoon omarmt is het beeld van die onvoorwaardelijke liefde en genade; van een hemelse Vader die ‘genadig en liefdevol, geduldig en trouw’ is – woorden uit psalm 145 die Ingeborg heeft voorgelezen. Pa heeft deze tekst zelf uitgezocht voor de rouwkaart, en voegde daaraan toe: ‘laat maar uitkomen dat God zo is, ondanks…’.

Want de psalmen, en dan specifiek psalm 145, hebben een grote rol gespeeld in de laatste jaren. Pa en ma hebben deze vaak, heel vaak gelezen de afgelopen maanden. Pa hield ervan, omdat de psalmen zo eerlijk zijn, zowel over wie God is als over de realiteit van ons leven; met alle vragen, machteloosheid, wanhoop en verdriet. Hij zei letterlijk: als de Psalmen niet bestonden wist ik niet of ik geloofde dat mijn geloof in God ‘terecht’ was. Maar als David het uitroept, als David worstelt maar als David ook telkens de macht (!!!) van mijn God bezingt dan weet ik zeker dat ik dat ook mag. Hij heeft de waarom-vragen ook gesteld , en we praatten daar ook over – waarom ik, waarom zo? Niet eens uit boosheid, maar wel eerlijke doorworsteling. Davids eerlijkheid was een grote aanmoediging om zijn hele hart bij God uit te storten.

Psalm 145 werd één van zijn favorieten. Daarin bezingt David de HEER (God) als koning en schepper. Daarin zit besloten dat Hij groter en meer is dan wij, dat hij gezag, macht én kunde heeft – dat hij alles mág en alles kán. Dat kan een beeld van een autoritair heerser opleveren, maar zo beschrijft David Hem absoluut niet. Integendeel – die koning/schepper is genadig, liefdevol, hij blijft geduldig, trouw; hij is goed voor alles en allen, en hij ontfermt zich over zijn schepping. Kortom: God die van zijn schepping en van zijn schepselen houdt – wiens liefde meer is dan het leven zelf.

In het laatste gedeelte van de psalm wordt gezegd dat de HEER het verlangen vervult van wie hem eren. Dat is een confronterende tekst om te lezen als je ziek op bed ligt en niet meer kunt lopen. Pa (en ma) had een groot verlangen om weer te kunnen lopen, om nog van alles te doen met het leven.  Dat verlangen is niet meer vervuld, zou je zeggen. Maar toen ik er over nadacht, drong er iets tot me door. Er staat: het verlangen. Alsof alle wensen, hopen en verlangens van alle mensen zijn samen te vatten in één groot en alles overstijgend verlangen.  En toen ik verder keek, zag ik de link met de rest van de psalm. Die gaat over het karakter van God, bekeken vanuit de intieme, liefdevolle relatie die David met hem had. HET verlangen… zou het daarbij ook niet gaan over dat grote verlangen naar onvoorwaardelijke liefde en acceptatie? Kijk nog eens naar het schilderij: wat was ten diepste het verlangen van de jongste zoon? Niet het snelle leven van geld, vrouwen en macht, maar de liefde van zijn vader. En wat was ten diepste het verlangen van de oudste zoon? Niet het geregelde leven van plicht, maar de aandacht en de genegenheid van zijn vader.

En zo is ook het verlangen van mijn eigen vader niet vervuld door weer te kunnen lopen of door materiële zaken, maar door zichzelf te vinden in een intieme, liefdevolle relatie met de Koning/schepper, die genadig en liefdevol is, geduldig en groot van trouw.

Laat maar uitkomen dat God zo is, ondanks alles, zei pa. En dat doe ik met veel liefde, omdat ik met eigen ogen heb gezien hoe hij (mijn vader) dat heeft voorgeleefd. Het was niet iets van de laatste tijd. Ik kan me helaas nog maar weinig preken van hem herinneren, maar ik weet nog heel goed dat hij regelmatig sprak over genade en daarbij altijd het voorbeeld aanhaalde (waargebeurd of niet, dat doet er niet toe) dat hij vocht met z’n broers of vriendjes, en dat degene die onder lag dan ‘genade’ moest roepen – als teken van overgave en erkenning van je eigen positie, en met beroep op de goedheid van de winnaar. En in de laatste maanden heb ik gezien hoe hij steeds meer de genade van God opzocht – steeds meer zich kon overgeven, steeds dichter bij zichzelf kwam, en steeds meer met beroep op de goedheid van God, de overwinnaar op de dood. Ik heb gezien dat het geen toneel was, geen schone schijn, maar een werkelijke liefde voor en vertrouwen op God, zijn Vader. Dat is bijzonder om mee te maken, en daar ben ik (en zijn wij) heel dankbaar voor.

Dankbaar ben ik niet alleen voor die laatste maanden, maar voor zijn leven. Voor wie hij was als vader in het gezin wat hij en mijn moeder vorm gaven: een plek van liefde waarin God geëerd werd. Niet door een perfect systeem te zijn, maar door oprechte, liefdevolle relaties. Dankbaar ben ik voor wie hij was in zijn interesses: zijn voorliefde voor muziek, Frankrijk, wijn, jongeren, mensen. Zijn altijd zoeken naar de wezenlijke dingen. Zijn afkeer van plat praten en dialect. Dankbaar voor de betekenis die hij heeft gehad voor zoveel mensen; het delen van zijn leven, zorgen voor anderen, vragen stellen, pastorale hulp die hij gaf. Dankbaar voor zijn geweldig flauwe humor, zijn vele mislukte grapjes en de vele Ikea tafels en stoelen, behangetjes, vloertjes, tegeltjes, waar we samen aan geklust hebben.

Zijn leven is niet tevergeefs geweest, al twijfelde hij daar zelf soms aan en al was het wat ons betreft echt nog niet klaar. Ik mag er dagelijks de vruchten van plukken en velen van u met mij. Ik heb de waarde gezien van het lezen van een handleiding (omdat hij dat nooit deed, en je dan halverwege weer opnieuw moest beginnen), ik heb geleerd om ABN te praten, hij heeft ons gestimuleerd om het beste uit onszelf te halen, en de warmte van het gezin heeft geleid tot evenwicht in mijn leven. Maar bovenal heeft hij mij laten zien wie Jezus Christus is, de vleesgeworden genade en goedheid van God. We hebben samen gelachen en de laatste tijd ook veel gehuild om de gebrokenheid van dit leven. De schepping kreunt en zucht onder de zinloosheid, staat in Romeinen 8, en zo heb ik dat ook vaak beleefd. Maar aan het eind van dat hoofdstuk staat ook: Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.

Pa is niet gestorven als kopie. Hij was iemand, hij was zichzelf – of beter, hij vond zichzelf in de armen van zijn hemelse Vader, een werkelijkheid die het schilderij van Rembrandt zelfs overtreft…

Genadig en liefdevol is de Heer, hij blijft geduldig en groot van trouw. In die zekerheid is bij zijn Vader thuisgekomen mijn moeders sterke man, onze goede vader en geweldige opa Pieter de Boer. We zijn heel verdrietig, maar ook heel dankbaar voor wat hij voor ons en voor anderen betekend heeft in zijn leven.

Amen.

Geef een reactie