De heilige kerker

U hebt mij onder in de kuil gelegd,
in het duister van de diepte.
Uw toorn drukt zwaar op mij,
uw golven slaan over mij heen.
Bekenden hebt u van mij vervreemd,
afgrijzen roep ik bij hen op,
ik ben ingesloten en zie geen uitweg meer. […]
Mijn beste vrienden hebt u van mij vervreemd,
mijn enige metgezel is de duisternis.
(uit Psalm 88 NBV)

Vorige week stond ik in de kerker onder ‘het huis van de hogepriester’ in Jeruzalem terwijl deze psalm werd voorgelezen. Ik had me nooit gerealiseerd dat er een halve nacht zat tussen het verhoor van Jezus door hogepriester Kajafas en de voorgeleiding voor Pilatus, en dat Jezus deze waarschijnlijk in de kerker onder dat huis had doorgebracht. Nog minder had ik gedacht aan psalm 88, een psalm van het genre dat ik niet dagelijks lees.

Maar meer dan Nazareth, Kapernaum of de Graftuin trof deze plek me. Een klein hol, met bovenin een gat waardoor de gevangenen met een touw werden neergelaten. Koud gesteente aan alle kanten. Donkerder dan donker. Tegenwoordig leidt een trap naar beneden en is er altijd een beetje licht, maar zelfs nu is het een plek waar je liever niet bent.

Van onze groep (zo’n veertig man groot) was ik één van de eersten die beneden stond. En vrijwel onmiddellijk – nog voor de psalm werd gelezen – raakte me de duisternis en eenzaamheid die het laatste vers van de psalm beschrijft. Jezus’ vrienden hadden hem vrij recentelijk verlaten. Eerst tijdens de maaltijd waar één van hen al voortijdig vertrok. Later op de avond in de tuin waar anderen niet in staat bleken wakker te blijven – ze begrepen echt niet waar hij doorheen ging. En ’s nachts bleek er nog maar eentje in de buurt, die vervolgens ontkende dat hij Jezus kende. En ik denk zo dat bij de angst en droefheid waar Jezus eerder op de avond al mee worstelde, een diepe, existentiële eenzaamheid werd gevoegd.

Terwijl ik me inbeeldde daar alleen en in het donker te zitten, kwam de rest van de groep de trap af. Eén, vijf, tien, twintig mensen – zwijgend kwamen ze naar beneden tot de hele kerker vol stond. Het waren er zoveel dat ze op de trap moesten staan en de hele ingang versperden.
Tot mijn verrassing voelde ik de emotie in mijn lijf alsof ik er al dagen alleen had gezeten. Mensen! En ze kwamen voor mij! Hun eenvoudige aanwezigheid als teken van solidariteit, van medeleven, van liefde. Geen woorden, die zouden toch niets toevoegen. Het enige dat op dat moment telde was: niet alleen zijn.

Het was een aparte gewaarwording (die sommigen wellicht als ‘beeld’ of ‘visioen’ zouden omschrijven). Ik zag in mijn geest zelfs mensen de trap af komen die ik niet persoonlijk kende. Vrienden van vrienden, die hadden gehoord van mijn ellende en die mee waren gekomen. Barmhartige Samaritanen die zich het lot van een mens aantrokken.

Goed, het was allemaal in een flits. Het waren in werkelijkheid licht rumoerige collega’s die zich bij mij voegden. Ik was geen moment alleen, en het was licht genoeg om elkaar te kunnen zien.
Maar toch. Het was alsof Jezus zelf me even deelgenoot maakte van zijn lijden. En alsof hij me even liet zien hoe eenvoudig het kan zijn om een verschil te maken. Door gewoon een trapje af te lopen en naast iemand te gaan zitten als er niemand anders is.

Het ging in die kerker echter om meer dan alleen een emotie. Jezus ‘moést lijden’, staat in Lukas 24. Waar het hier echt om ging stond op een bordje dat ergens een paar trappen hoger aan de muur hing:

Volledig onbedoeld bevat het een diepe waarheid: exit via de kerker. Het is net zo’n wonderlijke omkering als Pesach – het feest van de dood van een lammetje dat mij laat leven. Zo wordt de lijdensweg van Jezus de uitweg uit mijn eigen eenzaamheid en duisternis. Nooit meer alleen. Voorwaar, een heilige kerker.

Geef een reactie