Schat

Het is zondagmiddag. Ik sta buiten met een bak koffie. Ik heb zojuist gepreekt over de gelijkenis van De Schat in de Akker, dat schitterende miniatuurtje van Jezus over een man die een schat vindt in een akker en zijn hele vermogen inzet om dat land te kopen. Een verhaal over het Koninkrijk van de Hemel dat de wereld weer rechtop zet. Zoek die wereld, en je krijgt veel meer terug dan je er ooit voor hebt betaald, houd ik de mensen voor. Het was een fijne preek, denk ik.

Een van de toehoorders komt naar me toe. Hij neemt me apart en zegt: ik heb een gedicht geschreven. Ik luister. Hij draagt voor.

‘Ik ben die man die de schat vond in de akker…’, begint hij. En terwijl hij spreekt verandert er iets. Zijn gedicht neemt me mee naar een donkere nacht, een verlaten land, een stugge boer die uit zijn bed wordt gebeld. Het verhaal wordt rauw, echt, persoonlijk: de worsteling van iemand die weet waar de schat ligt maar ‘m niet kan pakken. Voor wie het vinden van de schat het afscheid van zijn leven betekent. Met als slotzin: ‘Wat ik betaalde, is mijn schat.’

Het gedicht is klaar. Ik sta roerloos, verbijsterd bijna. We kijken elkaar aan en zien tranen in elkaars ogen. En eventjes dringt het grootse tot ons door, eventjes staat de wereld weer rechtop.

Dan steekt mijn vriend een peuk op en neem ik nog een slok.

Geef een reactie