Mag ik bij jou?

Sinds ruim een jaar komt N bij ons in de kerk. Meegenomen door enthousiaste vrijwilligers in het plaatselijke azc. N is jong, vriendelijk en heel erg hard op zoek naar een beter leven. Op een vrijdagmiddag ben ik voor het eerst bij hem thuis; een wat viezig appartement in het azc. Achter een van de deuren ligt een oudere man geknield zijn middaggebed te doen. Een jongeman zet thee. In de kale ruimte zitten we tegenover elkaar; ik aan de ene kant, vier mannen aan de andere kant. Ik vraag wat ze doen. Hun antwoord is: niets. De hele dag wachten, dat is het. Dodelijke verveling.

Vier dagen later krijg ik een app’je van N. Of hij bij ons mag komen – er is iets gebeurd op het azc. Ik check het nieuws, en inderdaad; gedoe, politie, traumaheli. Even later staat N voor de deur. Op de bank vertelt hij dat een van zijn huisgenoten een ander heeft neergestoken. Ruzie uit frustratie, verveling, drugsgebruik. Ik kan het bijna niet geloven: dezelfde mannen waar ik vrijdag, bij mijn eerste bezoek aan een azc ooit, nog thee mee dronk.

Die avond zie ik een filmpje op Facebook van een groep vluchtelingen die een liedje van Claudia de Breij zingen: als de oorlog komt, en als ik dan moet schuilen; mag ik dan bij jou?

Ik bekijk het met tranen in mijn ogen en dank God dat ik ‘ja’ kan zeggen. Een klein woordje en een klein gebaar: een logeerbed voor een dag of drie. Maar zijn het niet juist de kleine gebaren die de grootste gevolgen hebben?

Geef een reactie