gedicht
gedicht

De schezel en de wuid

Ach wee! riep plots de schezel uit
Ik voel mij net een mezelmuit
die op het rees staat te bekleren
Waarom verdwees mij toch de kluit?
 
Dat is om broggels te feleren,
sprak luid en duidelijk de wuid
Laat je door hachjes niet verkeren,
die driggen ‘s nachts hun polken uit.
 
De schossel hoorde dat en dacht:
Ik zal ze immer gloos ontwalen
met bluis en naard in kroppe vlacht
 
Zo ging de wuid de schezel tralen
en swiep de schossel van de nacht
om nooit, nee, nooit meer broeg te bralen!
 
 

Het platte land

Geen mens kan hier zijn wil opleggen –
de baas is niemand in dit land,
daar zijn wij fel tegen gekant;
allergisch, zou je kunnen zeggen.

Discussie! Inspraak! Overleggen!
Wij pikken niets van hogerhand!
Wij leunen op gezond verstand.
Geen leider zal ons iets gezeggen.

Maar wie Gods woorden heel goed leest
ziet achter die rebelse geest
een kudde om een herder vragen.

Zo lijdt een mens dikwijls ’t meest
door het leiden dat hij vreest
maar dat nooit op zal komen dagen.

 

Voor IDEAZ Magazine september 2016