The good, the bad & the ugly

Afgelopen zondag mocht ik na lange tijd weer eens spreken in ons eigen kerkje en ik deed dat onder de mooie noemer in de titel van deze post. (Voor wie het niet wist: The Good, The Bad & The Ugly is ook de titel van een Italiaans-Amerikaanse ‘spaghetti-western’; drie mannen die naar het wilde Westen trekken op zoek naar goud. Maar daar ging mijn preek niet over.)

The good, the bad & the ugly in mijn preek zijn drie mensen die Jezus ontmoet in Lukas 18 en 19. En ik zou er denk ik geen blogje aan gewijd hebben als ik vanavond niet één van die drie tegenkwam in dit artikel op cip.nl. In dat artikel wordt vrij nauwkeurig verwoord waar ik afgelopen zondag op poogde in te gaan. De titel van het artikel is: ‘We moeten jongeren radicaal op hun afgoden wijzen’. Het idee is dat jongeren niet worden aangetrokken tot de kerk door een swingende band, maar door het radicale evangelie. Nou, daar ben ik het van harte mee eens. Maar vervolgens wordt als voorbeeld de geschiedenis van de rijke jongeling uit Lukas 18 aangehaald: die werd door Jezus even stevig aangepakt, net goed! “Nee, hij gaf hem een radicale opdracht: verkoop alles wat je hebt. Jezus wist wat de grootste afgod van deze jongeman was en eiste van hem daar afstand van te nemen. Hij vertelde hem geen halfslachtig evangelie en lokte hem niet met zoetsappige woordjes. Laten we hierin een voorbeeld zien en onze jongeren radicaal wijzen op hun afgoden en tegelijkertijd op de Christus.”

Laat ik dan hier ook maar geen zoetsappige woordjes gebruiken: dit is een volstrekt verkeerde interpretatie van wat er in deze geschiedenis gebeurt, en de voorgestelde aanpak is letterlijk een heilloze weg. Moeten we de jongeren radicaal wijzen op hun afgoden? Ja, Jezus deed dat bij de rijke jongeling. Maar waarom deed Hij dat? En wat zegt het dat het effect was dat de jongeman zwaar teleurgesteld afdroop? En waarom deed Hij dat dan niet bij iemand als Zacheus – ook rijk en machtig? Ik denk dat deze ontmoeting het compleet tegenovergestelde wil zeggen van wat de Belgische pastor in het artikel beweert.

De rijke jongeling is ‘the good’ uit mijn preek: iemand met opleiding en statuur, en bovendien met geld – dus wat hij nog niet had aan macht, dat kon hij wel kopen. Deze yup komt bij Jezus om nog even wat van zijn lijstje af te vinken. Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Het antwoord van Jezus is veelzeggend: dat weet je toch wel? Hou je gewoon aan de wet! De yup: consider it done! Jezus: Nou, ook dat eerste gebod nog eventjes – geen andere afgoden naast Mij, weet je nog wel? En off goes the yup – zich waarschijnlijk opeens pijnlijk bewust van zijn hoogdravende taal.

Hoe anders is de ontmoeting tussen Jezus en een andere rijke, ‘the bad’ in Lukas 19, slechts een bladzijde verderop. Zacheus (klein mannetje, haakneus, fiscaal jurist maar dan van de foute soort, je kent die types wel) had gehoord dat Jezus in Jericho zou komen. En die Jezus, daar was wat mee – overal waar die kwam daar gebeurde wat. Toch maar eens kijken, gewoon om te weten te komen wat die Jezus nou voor iemand is. Zacheus kende z’n plek – beter van niet om zomaar tussen al die andere mensen te gaan staan. Geeft alleen maar gedonder, ik zoek wel een boom (zoiets zal ‘ie gedacht hebben). Mag ik bij je logeren? – Ja, natuurlijk, graag, eehh, Jezus! De rest is geschiedenis – Jezus komt bij hem thuis, en de impact is zo groot dat Zacheus spontaan, ongevraagd tot inkeer komt.

Tussen the good en the bad staat nog een verhaal – dat van The Ugly. De blinde man, Bartimeus (Lukas 18:35). Ook hij heeft gehoord dat Jezus langskomt, en ook hij wil er bij zijn. Niet om te weten te komen wie Jezus is – dat heeft hij al begrepen. Hij is ook voorbij de schaamte – niets meer te verliezen. Hij is blind en arm en heeft maar een wens: Heer, ontferm u over mij! Of, in hedendaagse termen: HELP! En daar is Jezus. Hij stopt, keert zich naar Bartimeus en stelt de vraag: Wat wil je dat ik voor je doe? En ook hier is de rest geschiedenis…

Drie ontmoetingen met Jezus – drie fenomenale gebeurtenissen maar met totaal verschillende gevolgen.

Ten eerste kun je – als overeenkomst – concluderen dat Jezus eigenlijk alledrie de ‘gebeden’ verhoort. De yup vraagt naar de wet: Wat moet ik doen?; met de nadruk op moeten, ik en doen… En het antwoord van Jezus is dus: de wet. Zacheus wenst Jezus te leren kennen – en dat gebeurt. En de blinde wenst weer te kunnen zien – en dat gebeurt ook. Ik noem die reactie van Jezus ‘spiegelen’; iets wat Hij vrij consequent doet in allerlei ontmoetingen met mensen.

Ten tweede – als eerste verschil: de yup had de vraag net zo goed kunnen stellen met z’n ogen dicht. Hij was eigenlijk niet geïnteresseerd in Jezus, maar in de oplossing van een mogelijk probleem. De blinde en Zacheus kijken beide naar Jezus als persoon – ieder op een eigen manier, maar ze verwachten het van de persoon Jezus. Wie was ook alweer de blinde, en wie de ziende?

Ten derde: de yup is niet eerlijk naar zichzelf toe. Iedereen die zegt dat ‘ie de wet houdt zou je moeten wantrouwen. Jezus prikt daar doorheen, en doet dat al lang van tevoren: in vers 9 vertelt hij al als een deja-vu een verhaal over een Farizeer en een tollenaar – met het oog op sommigen die zichzelf willen rechtvaardigen en anderen minachten. In die gelijkenis valt zowel de rijke jongeling als Zacheus te herkennen; die laatste is eerlijk over zichzelf (ik blijf maar eerbiedig op afstand!). Van de blinde is het helemaal duidelijk dat hij zijn eigen positie kent. Jezus kan wat met mensen die zichzelf kennen en die Hem willen kennen!

En vergelijk tenslotte de vraag van de yup eens met de reactie van Jezus op de blinde. De yup zegt: wat moet ik doen? En Jezus zegt: Wat wil je dat ik voor je doe? Werken versus genade, need I say more….

Terug naar het artikel op cip.nl. Moeten we de jongeren ‘radicaal op hun afgoden wijzen’? Ik wijs pastor Vanderwelle nog maar eens op het effect van Jezus’ woorden op de rijke jongeling: hij droop af, onveranderd, teleurgesteld. Dat is wat je krijgt als je mensen de wet voorhoudt: zelfveroordeling, schuld, afwijzing. De eerste vraag die je zou moeten stellen is: wie heb ik tegenover me? Jezus’ antwoord is altijd maatwerk. Je hoeft de kerkelijke jongeren echt niet te vertellen wat hun zonden zijn – dat weten ze zelf beter dan wie dan ook. Laat hen maar komen. Vragen ze je naar de bekende weg? Geef ze die dan maar. Vragen ze om hulp? Of vragen ze zelfs niets, maar zie je ze wel zoeken? Geef ze dan eerst maar genade: een luisterend oor, hulp, wees Jezus voor ze. En als ze die genade gaan begrijpen zal die ze tot inkeer brengen (Rom 2:4) en leren hun leven te veranderen (Titus 2:11-12).

We moeten juist de inhoud weer krachtiger prediken door het radicale leven met Jezus te benadrukken, zegt de pastor in het artikel. Bij deze.

Geef een reactie